Als rukwinden de waslijn beproeven

Deze bundel, tevens de debuutbundel, verscheen 1986. De uitgave in eigen beheer is, zeker bij nader inzien, te beschouwen als een verzameling van twintig vingeroefeningen in de poëzie. De thematiek stad-platteland, die een rode draad zal blijven vormen in de latere bundels is hier al uitgesproken aanwezig. Het autobiografische feit dat de dichter, opgegroeid als boerenzoon in de Brabantse Kempen, na 15 jaar in stadscentra (achtereenvolgens Nijmegen, Eindhoven, Den Haag en opnieuw Nijmegen) te hebben gewoond, in deze periode aan de rand van de Beek-Ubbergense heuvels een fraai pandje op de kop had getikt, met een weitje vol fruitbomen als achtertuin, is hieraan niet vreemd. Aan deze heuvelrand ontstonden onder andere gedichten over de liefde, over Groesbeek, over Engeland. Cees Buddingh’s stijl van –parlando- schrijven over alledaagse dingen vormde in deze periode een bron van inspiratie. Het gedicht “Japan” verdiende een nominatie voor de Nijmeegse literatuurprijs Inkt III en was te lezen in de verzamelbundel Inkt III. Een aantal andere gedichten vonden hun weg in het tijdschrift Jambe en in de bloemlezingen van ditzelfde tijdschrift Jambe.

Niet het flauwste idee gezocht te worden

Op de achterflap van deze, opnieuw in eigen beheer, tien jaar na de eerste (1996), verschenen bundel, staat te lezen: “De dichter neigt met zijn gedichten naar een steeds grotere vormvastheid. De thema’s in zijn werk beslaan een scala van kleine en grote onderwerpen tussen de lichtheid en de donkerte van het bestaan. Terugkerend is wel steeds: stad versus platteland, voor de dichter gelijk aan heden versus verleden. Hij schuwt noch de ironie noch de bittere ernst.” Nogal wat van de vierenzestig gedichten gaan over het familieleven, de generaties (grootvader, grootmoeder, vader, moeder), de agrarische achtergrond, het land van Dommel, Niers en Maas en Waal, en het eigen vaderschap. In een tiental gedichten (in de afdeling “Als het licht kan”) bezingt de dichter zijn eigen opgroeiende jonge kind terwijl in een andere (“Unisono”) de eerste tekenen van dementie van zijn eigen moeder het onderwerp van zijn poëzie vormen.

Het heeft verband

Deze derde bundel (2001), uitgegeven door Boekhandel/uitg. Roelants/voorheen de Oude Mol werd van een flaptekst voorzien door de dichter Victor Vroomkoning. Hij zegt het volgende: “Harry M.P. van de Vijfeijke (Waalre, 1946) blikt in zijn poezie weliswaar melancholisch terug naar de ongebroken gelukzaligheid van de jeugd, het intieme erf, het verleden (“en alles weemoed als men het mij vroeg”), maar vindt in het hier en nu wel degelijk ook inspiratie (“het grote woord is lente”). Hij herkent, omdat hij nog kent. Hij weet wat hij mist, dus ook wat hij nog heeft, zijn geliefde bijvoorbeeld (”mijn oog vleest vast aan je”). Hij is toch vooral een generatiedichter, een man die zich in zijn verzen verbindt met zijn familie, zijn gezin. Generaties zijn als seizoenen: ze wisselen elkaar in een eeuwig te eerbiedigen ritme af. In die zin zijn de verzen van van de Vijfeijke - gesteld soms in gewijde taal - religieus te noemen. De toon van de gedichten is weemoedig, zonder zwaar te worden. Een vleugje filosofie, een snipper zelfspot, houden de ontroering licht. De dichter is de chroniqueur van zijn eigen private leven in een klein gehouden wereld. ’s Zomers zit hij in zijn wei, sabbelt op het gras, beziet de eeuwige natuur, ’s winters schaatst hij (“de nieuwe boer, de schaatser”) almaar rond. De dichter is een koe, herkauwt betekenisvolle momenten uit zijn micro-cosmos.

Al het andere is wachten

Uitgave Stichting voor literaire publicaties De Beuk, Amsterdam (2003). Het gaat hier om een relatief klein aantal gedichten. De onderwerpen zijn met name de liefde, de seizoenen, van hoogzomer tot laagwinter, in casu de verlokkingen van het schaatsen op natuurijs (hier wordt zelfs een hele cyclus van gedichten aan gewijd), het zomerse reizen en kamperen in een land als Polen, het ouder worden, tenslotte de uiteindelijke Winterreise. Een hele afdeling (Babiagorsky Park Naradowy) is besteed aan de almaar ouder wordende vader (het gedicht “Zondaguur”, waarin het terugkerende zondagse bezoek aan de oude vader in het verzorgingscentrum wordt verbeeld) en de inmiddels overleden moeder (”een pelgrimage, moeder, zal ik maken naar de Valkenburgerhof”). Eigen jeugdherinneringen gaan hand in hand met een intense beleving van het uitgroeien van zijn eigen ‘dochter van dertien’. Niettegenstaande de hier doorklinkende vitaliteit weet de dichter zichzelf intussen ook ouder worden. In de afdeling “Veren laten” geven de gedichten “Al het andere is wachten” en ”Veren laten” hier volop blijk van. Een handvol gedichten uit deze bundel werd opgenomen in de bloemlezing ”Keer dan het getij en schrijf”. Uitg. Cultuurfonds Provincie Gelderland, 2004.

Wie wij zoal waren

Uitg. Kontrast, 2007. Elf van de vijftig gedichten uit deze vijfde bundel werden eerder gepubliceerd in respectievelijk De Tweede Ronde (2004) en PoëziepuntGL (2004.2005). Herman Erinkveld, hoofdredacteur van PoëziepuntGL schrijft in de flaptekst het volgende: “De titel van deze bundel “Wie wij zoal waren” suggereert een terugblik. De inhoud is dat ook, maar zegt tegelijkertijd wie Harry van de Vijfeijke zoal is: een boerenzoon die met liefde terugdenkt aan zijn ouders en het platteland; een minnaar die zijn lief na jaren graag heel lijfelijk op een ‘voetstuk’ zet, en, inmiddels, een stadsmens die de ontwikkelingen van de stad (Nijmegen) ter harte gaan en die nog even gretig schaatst als vroeger, met zijn vader, toen, als de gewenste ‘ijscompaan’ (“ik zie mijn vader”). Het gebruik van de tegenwoordige tijd en zelfs een vooruitblik naar het voorland versterken de beleving van de dichter nu. Zijn betrokkenheid tot de gekozen onderwerpen is de bindende factor in de vier delen van de bundel. Een betrokkenheid die van een afstand wordt beleefd; ‘zien’ en ‘kijken naar’ komen in een aantal gedichten voor, en de dood, die afstand schept bij uitstek, is een belangrijk thema in de gedichten over de ouders. De dichter ziet de hoofdpersoon figureren in de verschillende fasen van zijn leven.

Rugwind

De zesde bundel in successie. Uitgegeven door Kontrast, Oosterbeek, 2012. Van de 62 gedichten werden er 45 eerder gepubliceerd. In de volgende tijdschriften: De Tweede Ronde, de Brakke Hond, Tirade, Poeziepuntgl, Gierek & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Heibel, Schoon Schip, de Poëziekrant, Krakatau en Dighter. Een handvol gedichten werd daarnaast in opdracht geschreven dan wel gepubliceerd in bloemlezingen. De begeleidende tekst bij de bundel meldt: “ De liefde, zijn afkomst (het Brabantse boerenland) zijn onuitputtelijke thema’s voor Harry van de Vijfeijke. Ook in zijn zesde bundel “Rugwind” behandelt hij trefzeker zowel de hardnekkigheid van het menselijk verlangen als ook zijn herinneringen aan zijn (jeugd) liefdes en zijn ouders. Daarnaast onderzoekt de dichter hoe hem toch de stad als een warm geheel van gevels is gaan omarmen: onder andere de Waal, de pleinen en de cafés blijken belangrijke verbanden tussen toen en nu te kunnen genereren. Intussen blijft hij echter hartstochtelijk de stad uit, de polder in, schaatsen, hardlopen en wielrennen. De dichter lijdt niet onder de dwang van het woordenboek. Hij geeft een eigen betekenis aan woorden en uitdrukkingen en zet die, waar nodig, naar zijn hand (‘voorbeelder’/ ’rood veren borstje’/ ‘wijnhalzend’). De gedichten krijgen daardoor vaak een extra poëtische kracht.