Deze bundel, tevens de debuutbundel, verscheen 1986. De uitgave in eigen beheer is, zeker bij nader inzien, te beschouwen als een verzameling van twintig vingeroefeningen in de poëzie. De thematiek stad-platteland, die een rode draad zal blijven vormen in de latere bundels is hier al uitgesproken aanwezig. Het autobiografische feit dat de dichter, opgegroeid als boerenzoon in de Brabantse Kempen, na 15 jaar in stadscentra (achtereenvolgens Nijmegen, Eindhoven, Den Haag en opnieuw Nijmegen) te hebben gewoond, in deze periode aan de rand van de Beek-Ubbergense heuvels een fraai pandje op de kop had getikt, met een weitje vol fruitbomen als achtertuin, is hieraan niet vreemd. Aan deze heuvelrand ontstonden onder andere gedichten over de liefde, over Groesbeek, over Engeland. Cees Buddingh’s stijl van –parlando- schrijven over alledaagse dingen vormde in deze periode een bron van inspiratie. Het gedicht “Japan” verdiende een nominatie voor de Nijmeegse literatuurprijs Inkt III en was te lezen in de verzamelbundel Inkt III. Een aantal andere gedichten vonden hun weg in het tijdschrift Jambe en in de bloemlezingen van ditzelfde tijdschrift Jambe.