Op de achterflap van deze, opnieuw in eigen beheer, tien jaar na de eerste (1996), verschenen bundel, staat te lezen: “De dichter neigt met zijn gedichten naar een steeds grotere vormvastheid. De thema’s in zijn werk beslaan een scala van kleine en grote onderwerpen tussen de lichtheid en de donkerte van het bestaan. Terugkerend is wel steeds: stad versus platteland, voor de dichter gelijk aan heden versus verleden. Hij schuwt noch de ironie noch de bittere ernst.” Nogal wat van de vierenzestig gedichten gaan over het familieleven, de generaties (grootvader, grootmoeder, vader, moeder), de agrarische achtergrond, het land van Dommel, Niers en Maas en Waal, en het eigen vaderschap. In een tiental gedichten (in de afdeling “Als het licht kan”) bezingt de dichter zijn eigen opgroeiende jonge kind terwijl in een andere (“Unisono”) de eerste tekenen van dementie van zijn eigen moeder het onderwerp van zijn poëzie vormen.